ECLI:NL:CRVB:2024:1634
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aanvangskosten bewindvoering bevestigd
In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de aanvangskosten van bewindvoering. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees de aanvraag af omdat de kosten meer dan twee maanden voor de aanvraagdatum waren ontstaan. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en deze uitspraak is nu bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overweegt dat vaste rechtspraak bepaalt dat het moment waarop de kosten van beloning van een bewindvoerder ontstaan, de dag is waarop de kantonrechter de bewindvoerder benoemt. Dit is ook het moment waarop de aanvangskosten worden vastgesteld. Appellant voerde aan dat de kosten pas later zijn opgekomen omdat de kantonrechter de bewindvoerder drie maanden de tijd gaf voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de factuur pas op 14 november 2021 werd opgemaakt, maar de Raad oordeelt dat dit geen reden is om af te wijken van de vaste rechtspraak.
De beschikking van de kantonrechter van 3 september 2021 stelde de bewindvoering in per 16 september 2021 en benoemde de bewindvoerder, inclusief de beloning van de aanvangskosten. Omdat de aanvraag pas op 2 december 2021 werd ontvangen, is de afwijzing van de aanvraag terecht. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor aanvangskosten bewindvoering blijft in stand.