Uitspraak
10 februari 2023, 21/3870
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant bij brief en aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van een griffierecht van €136,- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet tijdig betaald.
Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het griffierecht verschuldigd bij het indienen van hoger beroep. De Raad concludeert dat appellant in verzuim is geweest met de betaling en dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat dit anders is.
Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, met A. Giesen als griffier, en is openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.