ECLI:NL:CRVB:2024:1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang in AOW-toeslagzaak
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens ontbreken van procesbelang. Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij het AOW-pensioen werd gewijzigd naar een ongehuwdenpensioen vanwege een gezamenlijke huishouding met twee meerderjarige personen.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen procesbelang had omdat met ingang van augustus 2022 geen recht op toeslag meer kan ontstaan en appellant met de procedure niet het gewenste resultaat kan bereiken. Appellant stelde dat het van belang was om een oordeel te krijgen over het recht op een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm vanaf 2022, mede vanwege het recht op partnertoeslag.
De Raad overwoog dat het procesbelang ontbreekt omdat de discussie over de toeslag al eerder is beoordeeld en het bestreden besluit niet over de toeslag gaat. Voor een discussie over toeslag moet appellant zich tot de Svb wenden. Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.