ECLI:NL:CRVB:2024:1678
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde arbeid in restaurant
In deze zaak staat centraal of het college van burgemeester en wethouders van Groningen terecht de bijstand van appellant heeft ingetrokken en een bedrag van €6.302,80 heeft teruggevorderd over de maanden augustus, september, november en december 2021. Het college baseerde dit op waarnemingen dat appellant werkzaamheden verrichtte bij een restaurant zonder dit te melden.
Appellant voerde aan dat de waarnemingen onvoldoende specifiek waren en dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht. Ook stelde hij dat een confrontatie ter plaatse had moeten plaatsvinden om zijn identiteit te verifiëren. Daarnaast overhandigde hij een verklaring van de restauranthouder waarin werd gesteld dat hij in de betreffende maanden niet voor het restaurant had gewerkt.
De Raad oordeelde dat de waarnemingen concreet en gedetailleerd waren en dat de identiteit van appellant door de handhavingsmedewerkers zonder twijfel was vastgesteld. Uit de combinatie van waarnemingen, de LinkedIn-pagina van appellant en zijn eigen erkenning in een gesprek bleek dat hij regelmatig aanwezig was en bezorgwerkzaamheden verrichtte. De summiere verklaring van de restauranthouder was onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad concludeerde dat appellant op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde arbeid in een restaurant wordt bevestigd.