ECLI:NL:CRVB:2025:1125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in snackbar
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant gaf aan te zijn gestopt met werken in een snackbar, maar handhavingsmedewerkers troffen hem daar later nog werkend aan. Uit onderzoek bleek dat appellant vanaf 1 juli 2023 op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, wat hij niet had gemeld, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de intrekking van de bijstand. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag was en dat er geen bewijs was zoals foto’s of getuigenverklaringen. Ook stelden zij dat appellant tijdens waarnemingen had moeten worden aangesproken.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het besluit handhaafde. De waarnemingen en verklaringen van appellant zelf bevestigen dat hij werkzaam was. Het niet aanspreken tijdens waarnemingen zou de effectiviteit van het onderzoek schaden. De Raad bevestigde dat de aanwezigheid op de werkplek tijdens gebruikelijke uren de vooronderstelling van arbeid rechtvaardigt, welke appellanten niet konden weerleggen.
Het hoger beroep werd afgewezen, de intrekking van de bijstand bleef in stand en appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in de snackbar wordt bevestigd.