Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
[bedrag 1 juli 2021];
Centrale Raad van Beroep
Appellant is eigenaar van een woning met een hypotheekschuld en ontving bijstand. Na een stijging van de WOZ-waarde van zijn woning onderzocht het college het recht op bijstand opnieuw. Het college besloot de bijstand voort te zetten als lening en stelde eisen voor zekerheidstelling middels een krediethypotheek. Appellant werkte hier niet tijdig aan mee, waarna het college het recht op bijstand opschortte, maar dit besluit later herroept.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het collegebesluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college onterecht uitging van de WOZ-waarde, dat hij zijn woning niet hoefde te verkopen, en dat het college zijn belang om vermogen te behouden voor de oude dag niet had meegewogen. Ook voerde hij aan dat de verstrekking van bijstand als lening in strijd zou zijn met Europese richtlijnen.
De Raad oordeelde dat artikel 50 van Pro de Participatiewet niet alleen bij eerste beoordeling geldt, maar ook bij herbeoordeling van bijstand. Het college mocht de WOZ-waarde als waardebepaling gebruiken, mede omdat appellant geen taxatierapport had overlegd. Het college was verplicht bijstand als lening voort te zetten als aan de voorwaarden was voldaan, zonder ruimte voor belangenafweging. De Europese richtlijnen zijn niet van toepassing op deze situatie.
Het hoger beroep werd afgewezen, de rechtbankuitspraak bevestigd en de voortzetting van bijstand als lening gehandhaafd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De voortzetting van de bijstand als lening vanwege de waarde van de eigen woning wordt bevestigd.