ECLI:NL:CRVB:2024:1726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte berekening Wajong-uitkering op basis van garantiebedrag
Appellant ontvangt sinds 2011 een Wajong-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Met de invoering van de Wet vereenvoudiging Wajong per 1 januari 2021 is een garantiebedrag geïntroduceerd om te voorkomen dat uitkeringen lager uitvallen door de nieuwe berekeningswijze. Het Uwv heeft het garantiebedrag voor appellant vastgesteld en de uitkering over de periode 1 april 2022 tot 30 juni 2022 definitief vastgesteld op basis van dit bedrag.
Appellant betoogde dat het garantiebedrag te laag is vastgesteld en dat dit onredelijk bezwarend is, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten, stellende dat het garantiebedrag niet ter toetsing ligt in deze procedure en dat de uitkering correct is vastgesteld.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat het garantiebedrag leidt tot een hogere uitkering dan de nieuwe berekeningsregels zonder garantiebedrag en dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de correcte berekening van de Wajong-uitkering op basis van het garantiebedrag wordt bevestigd.