ECLI:NL:CRVB:2024:1736
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het UWV die zijn WIA-uitkering beëindigden of weigerden toe te kennen. Na benoeming van een onafhankelijke deskundige en het uitbrengen van een rapport heeft het UWV op verschillende data de besluiten gewijzigd en appellant alsnog een WIA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht. Hierdoor zijn de bezwaren van appellant geheel ingewilligd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep, waardoor deze niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant, die in totaal €11.214,68 bedragen, inclusief kosten voor reiskosten, deskundigenrapporten en zittingen.
Daarnaast is appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuurs- en gerechtelijke procedures. De totale procedure duurde in de hoofdzaak ruim acht jaar, waarbij de redelijke termijn met ruim vier jaar werd overschreden. De schadevergoeding wordt verdeeld over het UWV en de Staat, waarbij het UWV €1.142,- en de Staat €4.320,- moet betalen. Ook worden de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
De uitspraak is gedaan zonder mondelinge behandeling vanwege artikel 8:57 Awb Pro. De Raad baseert zich op eerdere jurisprudentie en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 voor de berekening van de schadevergoeding. De beslissing is uitgesproken op 29 augustus 2024 door rechter F.M. Rijnbeek.
Uitkomst: Hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard; UWV en Staat veroordeeld tot proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.