ECLI:NL:CRVB:2024:1776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 53% door UWV
Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerker en meldde zich ziek met fysieke en mentale klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 36,26%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in juni 2021, stelde een verzekeringsarts op 27 augustus 2021 vast dat haar functionele mogelijkheden waren gewijzigd. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies en berekende de arbeidsongeschiktheid op 53%, wat het UWV bij besluit vaststelde.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar handklachten niet voldoende waren meegewogen, onderbouwd met een patiëntdossier en een operatie in 2023.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de medische stukken geen aanleiding gaven om te twijfelen aan het standpunt van het UWV. De klachten en operatie na de vaststellingsdatum boden geen relevantie voor de beoordeling per 27 augustus 2021. De Raad bevestigde dat de functies passend waren en het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vaststelling van 53% arbeidsongeschiktheid in stand bleef.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van appellante op 53% per 27 augustus 2021 wordt bevestigd.