Appellante ontvangt een WAO-uitkering en is als zelfstandige gaan werken, wat zij aan het Uwv heeft doorgegeven. Na ontvangst van inkomensgegevens over 2017 heeft het Uwv een bedrag van €15.761,76 teruggevorderd en de WAO-uitkering herzien. De rechtbank en de Raad bevestigden eerder de terugvordering en herziening. In 2022 stelde het Uwv de aflossingscapaciteit vast op €1.142 netto per maand, waarvan €629,01 maandelijks op de WAO-uitkering wordt ingehouden.
Appellante maakte bezwaar tegen deze inhouding en stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat het evenredigheidsbeginsel werd overtreden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het Uwv mocht afzien van een hoorzitting vanwege het uitblijven van reactie op een brief. In hoger beroep stelde appellante dat het Uwv onterecht van het horen afzag en dat de inhouding onevenredig was gezien haar persoonlijke en financiële situatie.
De Raad oordeelt dat het Uwv onterecht van het horen afzag, waardoor de hoorplicht is geschonden. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat appellante in beroep en hoger beroep alsnog gelegenheid heeft gehad haar standpunten toe te lichten en de benodigde gegevens niet heeft verstrekt. De inhouding op de WAO-uitkering is terecht en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat appellante de financiële gegevens niet heeft betwist en een deel van de aflossingscapaciteit niet via inhouding maar via eigen betaling wordt voldaan.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht. De inhouding van €629,01 op de WAO-uitkering blijft ongewijzigd.