ECLI:NL:CRVB:2024:1785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks oogklachten
Appellante, werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en onderging operaties aan haar ogen en linkerknie. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, en een arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% op basis van geselecteerde functies.
Het UWV weigerde de WIA-uitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de oogklachten en dat de geselecteerde functies geschikt waren.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar oogklachten en beperkingen onjuist waren ingeschat en dat zij de functies niet kon vervullen. De Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en overtuigend waren, en wees het hoger beroep en het verzoek om een deskundige oogarts af.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.