ECLI:NL:CRVB:2024:1786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 1 november 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het UWV vastgesteld dat appellante niet geschikt is voor haar laatste werk en passende functies zijn geselecteerd. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten.
Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen, waaronder psychische klachten, visusproblemen en allergieën, onvoldoende in kaart zijn gebracht en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld en dat de functies passend zijn. Ook de berekening van het maatmaninkomen is transparant en correct.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen of het besluit te herzien. Het hoger beroep van appellante wordt verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.