ECLI:NL:CRVB:2024:1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstelbeoordeling en onterechte beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende geschikte functies
Appellante was werkzaam als callcentermedewerkster en meldde zich op 5 januari 2015 ziek met hoofdpijn en schildklierproblemen. Het UWV stelde op basis van een eerstejaars ZW-beoordeling vast dat zij per 4 januari 2016 geen recht meer had op ziekengeld. Na een nieuwe ziekmelding in mei 2016 beëindigde het UWV haar ZW-uitkering per 30 september 2016, omdat zij hersteld zou zijn voor haar arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door de ziekte van Hashimoto en psychische klachten, onvoldoende waren erkend. Een door de Raad benoemde deskundige concludeerde dat zij weliswaar beperkingen had, maar dat zij de functie van administratief medewerker afhandelingen kon verrichten. De Raad oordeelde echter dat minder dan drie van de bij de EZWb geselecteerde functies voor appellante geschikt waren, waardoor het UWV de ZW-uitkering ten onrechte had beëindigd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, en bepaalde dat de ZW-uitkering per 30 september 2016 moet worden voortgezet. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten van €6.032,54 en de Staat tot een schadevergoeding van €4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het UWV moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante per 30 september 2016 wordt voortgezet en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding; de Staat tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.