Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
22/1837 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen betaalspecificaties en beslaglegging op uitkering niet-ontvankelijk verklaard

Appellante ontving een IVA-uitkering en maakte bezwaar tegen meerdere betaalspecificaties en een jaaropgave van het UWV, alsmede tegen een brief over overdracht van haar beslagdossier. Het UWV verklaarde de bezwaren tegen de betaalspecificaties en de jaaropgave niet-ontvankelijk, omdat deze geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar tegen de betaalspecificatie waarop beslag was gelegd op de vakantietoeslag werd ongegrond verklaard, omdat het UWV gehouden is beslaglegging uit te voeren en appellante zich tot de civiele rechter moet wenden bij onenigheid.

De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de betaalspecificaties geen besluiten zijn en dat het UWV terecht het beslag uitvoerde. De brief over de overdracht van het beslagdossier werd gezien als een mededeling van feitelijke aard zonder rechtsgevolg. De jaaropgave werd eveneens niet als besluit aangemerkt.

In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere beoordeling zouden kunnen wijzigen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van griffierechten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bezwaren tegen betaalspecificaties en jaaropgave niet-ontvankelijk zijn en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

22/1837 WIA
Datum uitspraak: 18 september 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2022, 21/5013 + 21/5014 + 21/5154 + 21/5155 + 21/6262 + 21/6263 + 21/6264 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de bezwaren van appellante tegen de betaalspecificaties van 15 maart 2021, 12 april 2021, 10 mei 2021 en 9 augustus 2021, de jaaropgave 2020 en een brief van 5 augustus 2021, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van besluiten in de zin van de Awb. Ook ligt de vraag voor of het Uwv het bezwaar van appellante tegen de betaalspecificatie van 13 mei 2021 terecht ongegrond heeft verklaard, omdat het Uwv gehouden is aan de uitvoering van een beslaglegging gevolg te geven.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2024. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van 12 april 2024.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt van het Uwv een IVA-uitkering. Zij krijgt regelmatig een betaalspecificatie waarop is vermeld hoe het aan haar uit te betalen bedrag aan uitkering is vastgesteld.
1.2.
Bij brief van 10 mei 2021 (betaalspecificatie 1) heeft het Uwv een betaalspecificatie over de maand mei 2021 aan appellante toegezonden. Bij besluit van 6 oktober 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betaalspecificatie 1 geen besluit is in de zin van de Awb, omdat deze geen enkele wijziging bevat in haar uitkeringsrechten.
1.3.
Bij brief van 9 augustus 2021 (betaalspecificatie 2) heeft het Uwv een betaalspecificatie over de maand augustus 2021 aan appellante toegezonden. Bij besluit van 12 oktober 2021 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv ook het bezwaar van appellante tegen deze brief nietontvankelijk verklaard, onder eenzelfde motivering als in 1.2.
1.4.
Bij brief van 12 april 2021 (betaalspecificatie 3) heeft het Uwv een betaalspecificatie over de maand april 2021 aan appellante toegezonden. Bij besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv ook het bezwaar van appellante tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard, onder eenzelfde motivering als in 1.2.
1.5.
Bij brief van 15 maart 2021 (betaalspecificatie 4) heeft het Uwv een betaalspecificatie over de maand maart 2021 aan appellante toegezonden. Bij besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit 4) heeft het Uwv ook het bezwaar van appellante tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard, onder eenzelfde motivering als in 1.2.
1.6.
Bij brief van 13 mei 2021 (betaalspecificatie 5) heeft het Uwv appellante een betaalspecificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering gestuurd, waaruit haar bruto vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021 blijkt, die is ingehouden door beslaglegger Syncasso. Bij besluit van 6 oktober 2021 (bestreden besluit 5) heeft het Uwv het door appellante tegen betaalspecificatie 5 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 5 ligt ten grondslag dat het Uwv gehouden is het beslag uit te voeren, dat wanneer appellante het hier niet mee eens is zij zich tot de civiele rechter dient te wenden en dat het volledige vakantiegeld vatbaar is voor beslaglegging.
1.7.
Bij brief van 5 augustus 2021 heeft het Uwv appellante geïnformeerd over het, op verzoek van Syncasso, overdragen van haar beslagdossier aan een ander incassobureau. Bij besluit van 12 oktober 2021 (bestreden besluit 6) heeft het Uwv de het bezwaar van appellante tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb, maar van een mededeling van feitelijke aard.
1.8.
Het Uwv heeft appellante een jaaropgave 2020 toegezonden. Het Uwv heeft bij besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit 7) het bezwaar van appellante tegen deze jaaropgave nietontvankelijk verklaard, omdat een jaaropgave niet op rechtsgevolg is gericht en dus evenmin een besluit is in de zin van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank
2. Appellante heeft tegen alle zeven de bestreden besluiten beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Bestreden besluiten 1 tot en met 4
2.1.
Met betrekking tot de bestreden besluiten 1 tot en met 4 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak [1] , geoordeeld dat de betaalspecificaties 1 tot en met 4 geen besluiten zijn in de zin van de Awb, omdat in deze betaalspecificaties niets is gewijzigd ten opzichte van voorgaande betaalspecificaties. Het Uwv heeft de bezwaren van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Bestreden besluit 5
2.2.
Met betrekking tot bestreden besluit 5 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv gehouden is volledige medewerking te verlenen aan het beslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te beoordelen. Daarnaast is de volledige vakantietoeslag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vatbaar voor beslag. [2] Wanneer appellante zich niet kan vinden in de beslaglegging, dient zij zich – zoals reeds in eerdere door appellante aanhangig gemaakte zaken is beslist [3] – tot de burgerlijke rechter te wenden.
Bestreden besluit 6
2.3.
Met betrekking tot bestreden besluit 6 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen, nu de brief van 5 augustus 2021 mededelingen bevat die niet zijn gericht op enig rechtsgevolg.
Bestreden besluit 7
2.4.
Met betrekking tot bestreden besluit 7 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van 26 juli 2018, [4] onder meer overwogen dat een jaaropgave geen besluit is, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door het Uwv.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspaak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft – samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv het beslag juist heeft uitgevoerd.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten 1 tot en met 7 in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken en afgewezen. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de bestreden besluiten. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom geheel onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor de betaalde griffierechten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2024.
(getekend) C. Karman
(getekend) L.B. Vrugt

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3494.
2.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3340.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2359.