ECLI:NL:CRVB:2024:1812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging terugvordering ZW-uitkering tot €1.068,93 door Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als leerling verzorgende en meldde zich op 8 augustus 2017 ziek. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, die met ingang van 6 maart 2018 werd beëindigd. Ondanks deze beëindiging betaalde het UWV de uitkering door tot 2 juni 2019, waarna het een terugvordering instelde.
De rechtbank Limburg vernietigde het terugvorderingsbesluit en matigde de terugvordering tot €1.068,93, mede vanwege het aandeel van het UWV in het doorbetalen van de uitkering en de financiële verslechtering van appellante. Appellante stelde dat er dringende redenen waren om geheel af te zien van terugvordering, onder meer vanwege haar persoonlijke omstandigheden en schuldsaneringstraject.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV inderdaad een aandeel heeft in de ontstane situatie, maar appellante ook redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij ten onrechte ZW-uitkering ontving na 6 maart 2018. Daarom is geen aanleiding om geheel af te zien van terugvordering. Het verzoek om vergoeding van schade wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de matiging van de terugvordering tot €1.068,93 en wijst het verzoek tot geheel afzien van terugvordering af.