ECLI:NL:CRVB:2024:1823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na aanvullend medisch onderzoek
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft besloten appellante geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante betwistte de medische beoordeling en stelde dat zij meer beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De Raad oordeelde in een tussenuitspraak dat het medisch onderzoek in bezwaar niet zorgvuldig was uitgevoerd omdat er geen fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep had plaatsgevonden. Het UWV werd opgedragen dit te herstellen. Vervolgens vond op 25 maart 2024 alsnog een dergelijk onderzoek plaats, waarna het rapport van 26 maart 2024 werd ingebracht.
De Raad concludeert dat het aanvullende onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende onderbouwd is. De klachten en beperkingen van appellante, zowel fysiek als mentaal, zijn beoordeeld aan de hand van beschikbare specialistische rapporten en het functioneel mogelijkhedenprofiel. Er is geen aanleiding tot benoeming van een deskundige.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 mei 2022, met behoud van de rechtsgevolgen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd, met behoud van rechtsgevolgen.