ECLI:NL:CRVB:2024:1831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Het UWV heeft vervolgens twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen, waarvan het laatste besluit op 19 januari 2024 volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant. Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep heeft het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €5.577,75, inclusief griffierecht en kosten voor een rapport van WPEX. Tevens is vastgesteld dat de totale procedure van 17 december 2018 tot 19 januari 2024 vijf jaar en één maand heeft geduurd, wat de redelijke termijn met dertien maanden overschrijdt.
De Raad heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld op €1.500,-, waarvan €692,- voor rekening van het UWV komt en €808,- voor de Staat. Daarnaast zijn het UWV en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding, begroot op €437,50.
De uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen en uitgesproken op 25 september 2024.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.