ECLI:NL:CRVB:2024:1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad vernietigt beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant was sinds 26 juli 2018 ziekgemeld met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 13 september 2019 op grond van een beoordeling dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij zij de medische beoordeling van verzekeringsartsen overtuigend vond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de medische situatie verslechterd was en dat het UWV onvoldoende rekening hield met de ernst van zijn psychische klachten. De Centrale Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellant ernstiger beperkt was dan het UWV aannam, met onder meer concentratieproblemen en een urenbeperking.
Het UWV betwistte dit en verwees naar discrepanties in de medische gegevens en een hoge score op een validiteitstest. De deskundige handhaafde echter zijn oordeel en motiveerde dit uitvoerig, mede op basis van langdurige behandeling en psychosociale problematiek.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berustte. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het deskundigenrapport. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering per 13 september 2019 wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van het deskundigenrapport.