Appellant, een jonggehandicapte die een Wajong-uitkering ontvangt en als zelfstandige werkt, vroeg het UWV om een vervoersvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming voor een aangepaste bus. Het UWV wees dit in 2020 af, omdat appellant al een aangepaste personenauto gebruikte en de vervoersbehoefte niet duurzaam werd geacht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar erkende dat de taxikostenvergoeding onvoldoende was.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het UWV de aanvraag te beperkt had getoetst, namelijk alleen aan het werk in loondienst, terwijl appellant ook als zelfstandige werkzaam was. Het UWV paste zijn eigen beleid niet consistent toe, aangezien het in 2022 wel een vergoeding toekende onder vergelijkbare omstandigheden.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit onrechtmatig was en vernietigde het besluit van 19 april 2021 en het besluit van 28 oktober 2020. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Appellant had voldoende belang bij het hoger beroep vanwege de door hem gestelde schade door de eerdere weigering.