ECLI:NL:CRVB:2024:1922
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde beëindiging ZW-uitkering wegens onderschatting psychische beperkingen
Appellante was ziekgemeld met psychische klachten en ontving een ZW-uitkering die het UWV per 11 oktober 2020 beëindigde omdat zij volgens het UWV meer dan 65% van haar loon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het medisch onderzoek zorgvuldig, waarbij de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2020 als uitgangspunt werden genomen.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten, waaronder een matige tot ernstige depressie en PTSS, ten tijde van de datum in geding zwaarder wogen dan was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat appellante al op de datum in geding aanzienlijk meer beperkingen had dan in de FML waren opgenomen.
Het UWV handhaafde haar standpunt, maar de Raad vond het rapport van de onafhankelijke deskundige overtuigend en oordeelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. De Raad droeg het UWV op binnen acht weken het besluit te herzien door de FML aan te passen aan de beperkingen zoals vastgesteld door de deskundige en de gevolgen voor de ZW-uitkering opnieuw te beoordelen.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering is onvoldoende gemotiveerd en het UWV moet dit binnen acht weken herstellen.