ECLI:NL:CRVB:2024:1925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2011 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 11 februari 2019. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer beperkingen had dan aangenomen en de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een onvoldoende motivering van het UWV-besluit, omdat de deskundigenrapporten overtuigend waren en de functies passend bleken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de vertaalslag van het deskundigenrapport onzorgvuldig was, een nieuwe FML ontbrak en de geldigheidsduur van de functies was verstreken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht de uitkering heeft beëindigd. De medische en arbeidskundige onderbouwing is voldoende gemotiveerd en inzichtelijk. De aanvullende beperkingen van appellante komen niet voor in de geduide functies en de functies zijn niet ouder dan 24 maanden, conform het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
Het hoger beroep wordt verworpen, de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 11 februari 2019 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.