ECLI:NL:CRVB:2024:1927
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek leenbijstand wegens ontbreken nieuwe feiten en geen onmiskenbare onjuistheid
Appellante had in 2013 een schuldbekentenis ondertekend voor leenbijstand en kreeg in 2015 een aflossingsverplichting opgelegd door het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten. Deze verplichting hield in dat 6% van de toepasselijke bijstandsnorm werd ingehouden op haar bijstand, wat plaatsvond tot januari 2018 toen de lening was afgelost.
In 2022 verzocht appellante het dagelijks bestuur om de vordering per 30 juli 2016 te beëindigen en teveel betaalde bedragen terug te betalen. Dit verzoek werd opgevat als een herzieningsverzoek en afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit van 14 april 2015 onmiskenbaar onjuist was omdat de beslagvrije voet niet in acht was genomen en het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De Raad oordeelde dat hoewel discussie mogelijk is over de omvang van de aflossingscapaciteit, niet kan worden geconcludeerd dat het besluit onmiskenbaar onjuist is. Ook was onduidelijk hoe beleidsregel 12 moet worden uitgelegd en was niet onmiskenbaar dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen, het bestreden besluit en het oorspronkelijke besluit van 14 april 2015 blijven in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.