ECLI:NL:CRVB:2024:1951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds november 2019 volledig arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarna de uitkering per 6 januari 2023 werd beëindigd. Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar beperkingen groter zijn dan vastgesteld, mede vanwege pijnklachten en taalbarrières, en dat geen van de geselecteerde functies geschikt is.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve medische basis was voor meer beperkingen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat appellante in de primaire fase door een geregistreerd verzekeringsarts is onderzocht en dat ook een onafhankelijke orthopedische expertise heeft plaatsgevonden.
De Raad concludeert dat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunt te onderbouwen en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en deugdelijk zijn gemotiveerd. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat artikel 56 van Pro de Wet WIA een verplichtend karakter heeft. Het hoger beroep wordt afgewezen, de beëindiging van de uitkering blijft in stand en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.