ECLI:NL:CRVB:2024:1980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsvermogen in relevante periode
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen tussen zijn achttiende en drieëntwintigste jaar. Hij stelde dat hij door ASS en ADHD duurzaam niet kon werken in die periode. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant tot minimaal 14 september 2008 bij verschillende werkgevers had gewerkt, wat duidt op het beschikken over arbeidsvermogen.
De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Zij oordeelde dat appellant onvoldoende objectieve en verifieerbare informatie over de Wajong-gerechtigde periode (1978-1983) had overgelegd en dat het risico van het ontbreken van bewijs bij appellant ligt vanwege de laattijdige aanvraag.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de diagnose ASS pas in 2018 werd gesteld en dat hij feitelijk geen arbeidsvermogen had, ondanks korte dienstverbanden. De Centrale Raad van Beroep volgt dit niet en onderschrijft de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank. De Raad benadrukt dat het niet om de diagnose gaat, maar om de beperkingen in de relevante periode, waarvoor geen objectieve informatie beschikbaar is.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarmee onverminderd van kracht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant in de relevante periode arbeidsvermogen had.