ECLI:NL:CRVB:2024:2041
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond verklaard wegens niet-betaling griffierecht bij hoger beroep bestuursrecht
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit beroep werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.
De Raad heeft zich in een eerdere uitspraak onbevoegd verklaard omdat tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep mogelijk is volgens artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die het appelverbod konden doorbreken.
Appellante voerde aan dat de heffing van griffierecht en het traject voor vrijstelling wegens betalingsonmacht een ongeoorloofde belemmering van het recht op toegang tot de rechter vormden, maar deze stelling werd verworpen op grond van vaste rechtspraak.
De Raad oordeelde dat de regeling omtrent griffierecht en de hoogte daarvan in het bestuursrecht zodanig is dat rechtzoekenden in het algemeen toegang tot de rechter behouden, en dat het aan de appellant is om aan te tonen dat dit in haar geval anders is.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht.