Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
,met wie appellant sinds september 2017 een relatie had, aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling door appellant. Naar aanleiding hiervan zijn ten aanzien van appellant ordemaatregelen getroffen, is een strafrechtelijke onderzoek gestart en heeft het cluster Veiligheid Integriteit en Klachten een intern onderzoek ingesteld naar mogelijk door appellant gepleegd plichtsverzuim. Op [datum 1] 2020 is een rapport van het disciplinair onderzoek uitgebracht, aangevuld op [datum 2] 2020.
.Nu uit het rapport van ’t Hoen volgt dat onderdelen a, e, f en g van het plichtsverzuim appellant in enige mate (ten dele) toe te rekenen zijn, is de korpschef bevoegd appellant voor dit plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef bij het bepalen van de disciplinaire straf gebleven is binnen de grenzen van de evenredigheid. Gelet op de ernst, de omvang en de tijdsduur van dit plichtsverzuim, de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politie en de terecht door de korpschef gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan politieambtenaren, is de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag – ook al is sprake van een enigszins verminderde mate van toerekenbaarheid – niet onevenredig. Er is sprake van dermate ernstige gedragingen, dat appellant als politieman had moeten inzien dat hij deze moest melden en hulp moest zoeken. Appellant heeft door dat niet te doen en zijn (doorgaand) gedrag, dat al in bredere kring bekend was geworden, het in hem als politieambtenaar te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en imagoschade aan het politieapparaat toegebracht. Nu het plichtsverzuim, onderdelen a, e, f en g, de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vraag of de korpschef de overige gedragingen (b, c en d) terecht als toerekenbaar plichtsverzuim heeft aangemerkt.