ECLI:NL:CRVB:2024:2095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellante ontving bijstand sinds 2002 en werd onderzocht naar aanleiding van anonieme meldingen over het verrichten van behandelingen voor uiterlijke verzorging vanuit haar woning. Toezichthouders legden gesprekken vast in gespreksverslagen, die als bewijs dienden voor het dagelijks bestuur om de bijstand te herzien en terug te vorderen over de periode 2018-2021.
Appellante stelde dat zij de gespreksverslagen onder druk had ondertekend en dat deze niet juist waren, en voerde aan dat haar dochter de werkzaamheden verrichtte terwijl zij slechts hielp. De Raad oordeelde dat de gespreksverslagen rechtsgeldig zijn omdat zij zonder voorbehoud zijn ondertekend en geen bewijs is geleverd voor dwang of onjuistheden.
De verklaringen van appellante en haar dochter bevestigen dat appellante zelf ook behandelingen gaf, wat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn die de inlichtingenplicht schenden. De Raad verwierp ook het verweer dat alleen de inkomsten van de dochter relevant zijn en dat bankafschriften onvoldoende bewijs zouden zijn. De herziening en terugvordering blijven daarmee gehandhaafd.
Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 22 oktober 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand blijven in stand.