4.3.Appellante heeft verder aangevoerd dat niet zij, maar haar dochter werkzaamheden heeft verricht en dat appellante als moeder, in het kader van haar opvoed- en verzorgingstaken, slechts heeft geholpen bij die werkzaamheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hierna wordt toegelicht bieden de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de gespreksverslagen, een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de periode waar het hier om gaat.
4.3.1.De in het gespreksverslag van 17 juni 2021 opgenomen verklaring van appellante luidt als volgt:
“Mijn dochter heeft de kappersopleiding achter de rug en ze wil het in de richting van uiterlijke verzorging uitbreiden. Ze waxt voor mij en ik wax haar, voornamelijk de benen, oksels en bikinilijn, dit doen wij ook voor mijn vriendinnen en de vriendinnen van mijn dochter. Ze doet deze activiteiten bij haar vriendinnen en mijn vriendinnen en ook voor de moeders van haar vriendinnen. Mijn dochter doet de behandelingen en ik help haar erbij en dat is 3 jaar geleden begonnen toen mijn dochter met de opleiding begonnen is. Mijn dochter was toen 15 jaar, zij is nu 18 jaar en wordt zondag a.s. 19 jaar. De behandelingen wat ik bedoel worden vanuit huis verricht sinds 2018. Dus het is sinds 2018 het geval. De personen, gasten nemen hun spullen zelf mee verder heb ik geen kosten. Behalve de waxspullen, die koop ik zelf en die gebruiken ik en mijn dochter ook voor de behandelingen die wij geven bij de personen die wij behandelen. (…) Sinds 1-1-2018 worden gemiddeld 4 personen per week behandeld en ik ontvang gemiddeld € 7,50 per persoon, het is € 120,00 per maand. De bedragen van de behandelingen ontvang ik tot en met heden zowel via tikkies als contant. Per jaar € 1440,00. [...]
Ik begrijp nu hoe dat werkt. Ik ga nu naar de toekomst mijn administratie bijhouden die bij mij thuis worden verricht [en] aan de sociale dienst Drechtsteden achteraf doorgeven.”
4.3.2.Volgens het gespreksverslag van 15 juli 2021 heeft appellante onder meer verklaard dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van haar verklaring die zij op 17 juni 2021 heeft afgelegd, dat zij de behandeling vanuit haar huis met plezier doet, dat zij het liefste een eigen zaak met haar dochter wil beginnen en het haar droom is om dit samen met haar dochter te gaan doen en dat zij niet weet wat de buren gaan zeggen over haar werkzaamheden en activiteiten vanuit haar woning.
4.3.3.Tijdens het huisbezoek op 17 juni 2021 hebben de toezichthouders gezien dat één van de kamers op de eerste verdieping van de woning van appellante is ingericht voor behandelingen voor uiterlijke verzorging voor de gasten.
4.3.4.In het dossier bevindt zich een transcriptie van een WhatsApp-gesprek met appellante. In dat gesprek vraagt een onbekend iemand (X) – kennelijk één van de mensen die een anonieme melding hebben gedaan en die de transcriptie in het kader van die melding heeft verstrekt – of appellante een lijst heeft met alles wat zij doet en wat de kosten zijn. X merkt daarbij op dat zij ook iemand anders ontmoet die veel dingen doet en het met elkaar wil vergelijken. Volgens de gesprekstranscriptie heeft appellante de volgende lijst gestuurd:
“Wenkies € 8,50
Bovenlip € 6
Wenkies+bovenlip € 12
Hele gezicht € 17,50
Armen € 15
Oksels € 10
Benen € 30
Braziliën € 20”
Vervolgens staat in de gesprekstranscriptie dat appellante in reactie op opmerkingen van X opmerkt dat zij ook ‘wimperlifting’, ‘Bb glow’ en ‘microblading’ doet.
4.3.5.Niet in geschil is dat deze prijslijst en opmerkingen afkomstig zijn van de telefoon van appellante. Appellante heeft ter zitting weliswaar ontkend dat de prijslijst van haar is, maar kon niet uitleggen waar die vandaan kwam.
4.3.6.Appellante heeft in bezwaar, in een telefoongesprek op 16 maart 2022 met de behandelaar van haar bezwaarschrift, meegedeeld dat zij haar dochter helpt, bijvoorbeeld met het inkopen van spullen, de administratie en het beantwoorden van WhatsApp-berichten en telefoontjes voor het maken van afspraken.
4.3.7.Ter zitting heeft de dochter van appellante als getuige onder meer verklaard dat zij op 1 september 2018 met haar kappersopleiding is begonnen, dat zij veel moest oefenen en dat ook thuis deed, dat zij denkt dit gemiddeld vier of vijf keer per maand te hebben gedaan, dat zij thuis wenkbrauwen deed, ‘puntjes knipte’ en waxte, dat zij daarbij dan af en toe hulp kreeg van haar moeder, dat deze hulp bestond uit het aangeven van spullen, dingen vasthouden of er gewoon bij zijn, dat zij en haar moeder elkaar een beetje hielpen en dat haar moeder behandelingen niet alleen deed, maar enkel om haar te helpen.
4.3.8.De hulp die appellante haar dochter gaf in het kader van behandelingen voor uiterlijke verzorging is te beschouwen als het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Dat is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak.Dat appellante, zoals zij stelt, in haar rol als moeder slechts hulp heeft geboden bij de werkzaamheden van haar dochter, maakt dat niet anders.
4.3.9.De dochter van appellante volgde een voltijds studie en was dus niet altijd thuis. Zij heeft verklaard dat zij niet weet wat haar moeder in haar vrije tijd doet. De verklaring van de dochter sluit dus niet uit dat appellante naast de hulp die zij gaf aan haar dochter bij behandelingen voor uiterlijke verzorging ook zelf deze behandelingen gaf.
4.3.10.Appellante heeft gewezen op de door haar in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaringen van vriendinnen, vriendinnen van haar dochter en anderen. Deze verklaringen houden in dat degenen die de verklaringen hebben afgelegd af en toe hun haren en/of hun wenkbrauwen lieten doen door de dochter van appellante en daar soms een kleine vergoeding voor gaven. Voor zover appellante hiermee heeft willen betogen dat uit deze verklaringen blijkt dat niet zij, maar haar dochter behandelingen voor uiterlijke verzorging heeft gegeven, volgt de Raad haar niet in dat betoog. Deze verklaringen sluiten namelijk niet uit dat appellante haar dochter hielp bij dergelijke behandelingen en ook zelf behandelingen gaf. Dit blijkt uit de eigen verklaringen van appellante en de verklaring van haar dochter.