Appellante ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het UWV een onderzoek naar mogelijke inkomsten uit arbeid, waarbij bankafschriften en verklaringen van appellante werden onderzocht. Dit leidde tot een besluit om de uitkering over de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 januari 2020 te verlagen en een bedrag van €14.300,04 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de inkomsten uit arbeid aannemelijk waren. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat niet alle betalingen als inkomsten uit arbeid konden worden aangemerkt, en voerde dringende redenen aan om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelt dat het UWV voldoende feiten heeft aangedragen die aannemelijk maken dat appellante inkomsten uit arbeid heeft genoten. Appellante heeft dit niet met objectief bewijs kunnen weerleggen. Het onderzoek was zorgvuldig, onder meer door internetonderzoek, gesprekken en analyse van bankafschriften. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.