ECLI:NL:CRVB:2024:2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering over periode vóór 26 weken voorafgaand aan aanvraag
Appellante was van 20 mei 2021 tot 10 mei 2022 werkzaam en diende op 28 januari 2023 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het UWV besloot dat zij recht had op een WW-uitkering vanaf 10 mei 2022, maar weigerde de uitbetaling over de periode 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 omdat deze periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag lag. Appellante stelde dat sprake was van een bijzonder geval vanwege haar mantelzorgtaken en psychische overbelasting, waardoor zij niet eerder kon aanvragen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante de bewijslast had om het bijzondere geval aan te tonen, wat niet was gelukt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief wordt uitgelegd en dat appellante geen medische onderbouwing heeft geleverd.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de uitkering over de betwiste periode niet heeft uitbetaald en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold op 14 november 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering over de periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag heeft geweigerd.