Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2008 een Wajong-uitkering en vanaf 2014 een toeslag. Na politieonderzoek naar vermeende betrokkenheid bij illegale prostitutie heeft het UWV in mei 2019 de uitkering ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond.
In een strafzaak besloot de officier van justitie in september 2021 tot sepot wegens onvoldoende bewijs. Appellant verzocht het UWV daarop terug te komen op de besluiten, maar dit werd afgewezen. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het sepot als nieuw feit geldt, maar dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat dit geen reden is om terug te komen op de bestuursrechtelijke besluiten. De bestuursrechtelijke bewijsstandaard is lager dan in het strafrecht. Het UWV had voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. De Raad wijst appellant's beroep op de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbeterde gronden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering ondanks het sepot in de strafzaak.