ECLI:NL:CRVB:2024:2226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen van onherroepelijk besluit intrekking en terugvordering AOW-toeslag
In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen de weigering van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om terug te komen van een onherroepelijk besluit tot intrekking en terugvordering van AOW-toeslag. Aan appellant was in 2007 AOW-pensioen en toeslag toegekend, maar de toeslag werd in 2021 ingetrokken vanwege de inkomsten van zijn echtgenote. De Svb vorderde de te veel betaalde toeslag terug en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant stelde dat de Svb onjuist had gehandeld, maar bracht geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van de Svb ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het besluit kon worden afgewezen als er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren en dat dit niet evident onredelijk was. De Raad concludeerde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was en dat de berekening van het terugvorderingsbedrag correct was.
De Raad nam ook mee dat de communicatie tussen de afdeling Svb Dienstverlening PGB en de afdeling die de AOW uitvoert niet leidde tot een andere conclusie. De weigering van de Svb om terug te komen op het besluit werd daarom bevestigd. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt daarmee het besluit van 22 april 2022 en het oorspronkelijke intrekkings- en terugvorderingsbesluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van AOW-toeslag blijft in stand.