ECLI:NL:CRVB:2021:2954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op WAO-besluit en weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd
Appellant was arbeidsongeschikt verklaard in 2001, maar het UWV weigerde toen een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na nieuwe medische incidenten en verzoeken om herbeoordeling weigerde het UWV terug te komen op dit besluit, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht toepassing gaf aan artikel 4:6 Awb Pro en dat de weigering niet evident onredelijk was. Ook de aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze conclusies. De Raad benadrukte dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd had gehandeld en dat er geen nieuwe feiten waren die tot een ander besluit leidden. Hoewel de motivering van het bestreden besluit deels ondeugdelijk was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellant.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV weigert terug te komen op het WAO-besluit en een WIA-uitkering toe te kennen wegens niet volgemaakte wachttijd.