ECLI:NL:CRVB:2024:2228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending medewerkingsverplichting door niet verschijnen op gesprekken
Appellante diende een aanvraag om bijstand in, maar verscheen niet op twee verplichte gesprekken die het college organiseerde om haar recht op bijstand te beoordelen. Het college stuurde uitnodigingen naar het door appellante opgegeven woonadres, niet naar haar bewindvoerder, omdat appellante niet had gemeld dat correspondentie via de bewindvoerder moest verlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij stelde dat de uitnodigingen onrechtmatig waren omdat deze niet naar haar bewindvoerder waren gestuurd, en dat zij daarom niet verplicht was te verschijnen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante de medewerkingsverplichting op grond van artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet had geschonden door niet te verschijnen. De Raad vond dat het college de uitnodigingen correct had verzonden en dat het bewind alleen betrekking heeft op vermogensrechtelijke zaken, niet op het beheren van post. De afwijzing van de aanvraag om bijstand blijft daarom in stand.
Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 november 2024.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens schending van de medewerkingsverplichting door niet verschijnen op gesprekken.