Verzoekster heeft op 28 maart 2017 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV beschouwde dit als een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten uit 2007, 2010 en 2013, en wees dit af bij besluit van 6 juni 2017, gehandhaafd bij besluit van 22 december 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde bij tussenuitspraak op 3 augustus 2023 dat het UWV het besluit moest herstellen. Het UWV nam vervolgens op 10 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar.
Verzoekster vorderde vervolgens vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van ontvangst bezwaar tot tegemoetkomend besluit ruim zes jaar duurde, terwijl de redelijke termijn voor een dergelijke procedure maximaal vier jaar bedraagt. Dit leidde tot een overschrijding van twee jaar en vier maanden.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €2.500 als vergoeding voor immateriële schade en tot betaling van proceskosten van €437,50. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 27 november 2024.