Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:2239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
18/4713 WAJONG-S
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn in Wajong-procedure

Verzoekster heeft op 28 maart 2017 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV beschouwde dit als een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten uit 2007, 2010 en 2013, en wees dit af bij besluit van 6 juni 2017, gehandhaafd bij besluit van 22 december 2017.

De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde bij tussenuitspraak op 3 augustus 2023 dat het UWV het besluit moest herstellen. Het UWV nam vervolgens op 10 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar.

Verzoekster vorderde vervolgens vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van ontvangst bezwaar tot tegemoetkomend besluit ruim zes jaar duurde, terwijl de redelijke termijn voor een dergelijke procedure maximaal vier jaar bedraagt. Dit leidde tot een overschrijding van twee jaar en vier maanden.

De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €2.500 als vergoeding voor immateriële schade en tot betaling van proceskosten van €437,50. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 27 november 2024.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €2.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en €437,50 aan proceskosten.

Uitspraak

18.4713 WAJONG-S

Datum uitspraak: 27 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. F. Reith, advocaat, verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verzoekster heeft met een door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 28 maart 2017 ontvangen formulier een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag gezien als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 23 mei 2007, 30 november 2010 en 8 augustus 2013. Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2017, het verzoek om terug te komen van de eerdere besluiten afgewezen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van verzoekster tegen het besluit van 22 december 2017 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij tussenuitspraak van 3 augustus 2023 het Uwv opgedragen om het gebrek in het besluit van 22 december 2017 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Het Uwv heeft op 10 oktober 2023, aangevuld op 21 november 2023, een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
2. Verzoekster heeft in de aanvullende gronden verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
3.2.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [2]
3.3.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 10 oktober 2023 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 28 juni 2017 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zes jaar en bijna vier maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en vier maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 2.500,-.
3.4.
Er bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € ‭437,5‬0 (1 punt voor het verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5).‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.