Appellante ontving sinds 2018 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2021 stelde het UWV vast dat zij slechts 12,86% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 31 juli 2021. De (ex-)werkgever was het eens met dit besluit, appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen werden onderschat.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al vond het spreekuur telefonisch plaats. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die binnen haar belastbaarheid lagen.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen, met name aan haar pols en cognitieve functies, niet juist waren meegenomen en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het UWV verwees naar eerdere fysieke onderzoeken en het ontbreken van nieuwe medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het telefonisch spreekuur toereikend was en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren onderschat. De arbeidskundige beoordeling was voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand bleef en appellante geen proceskostenvergoeding kreeg.