ECLI:NL:CRVB:2024:2344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 38,13% door Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2008 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. In 2022 stelde het UWV zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 38,73%, later aangepast naar 38,13% na bezwaar. Appellant betwistte de mate van beperkingen en de passendheid van de geselecteerde functies, onder meer vanwege vermeende progressie van COPD en zijn laag opleidingsniveau met analfabetisme.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en functies adequaat hadden vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat appellant voldoende opleiding en werkervaring heeft voor het vastgestelde opleidingsniveau 2 en dat de functies medisch passend zijn, ook rekening houdend met zijn laaggeletterdheid.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de COPD progressief is en dat hij analfabeet is, wat de passendheid van functies zou beïnvloeden. De Raad concludeerde dat de brief van de longarts uit 2024 geen relevante informatie bevat voor de situatie per 10 februari 2022 en dat appellant zijn arbeidskundige bezwaren niet met objectieve gegevens onderbouwde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 38,13% blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 februari 2022 terecht is vastgesteld op 38,13%.