Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht sinds eind 1990, werd ontslagen wegens wangedrag na onderzoek naar privégebruik van dienstvoertuigen en het onterecht aanvragen van woon-werkverkeervergoeding. Tevens droeg hij medailles zonder bewijs van rechtmatige toekenning.
De rechtbank oordeelde dat appellant de gedragingen heeft begaan, waaronder 899 ritten met dienstvoertuigen voor privédoeleinden en een onterechte vergoedingaanvraag. Ook het dragen van niet-geregistreerde medailles werd hem verweten. Het wangedrag was structureel, toerekenbaar en het ontslag niet onevenredig.
Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag en de schadevergoeding van €652,-, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en appellant voldoende gelegenheid had zijn standpunten te onderbouwen. Het hoger beroep werd verworpen en de kosten werden aan appellant opgelegd.