Uitspraak
21 juni 2024, 21/3632
Centrale Raad van Beroep
Appellant, vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. De Raad wees appellant erop dat een griffierecht van €138,- verschuldigd was, dat binnen een bepaalde termijn betaald moest worden. Ondanks meerdere herinneringen werd het griffierecht niet tijdig voldaan, waardoor appellant in verzuim werd geacht.
Daarnaast bevatte het beroepschrift geen gronden van beroep zoals vereist volgens de Algemene wet bestuursrecht. Appellant kreeg meerdere kansen om dit te herstellen, maar stuurde uiteindelijk gronden toe die betrekking hadden op een andere zaak. Ook na een laatste termijn verstreek zonder dat geldige beroepsgronden werden ingediend.
Gezien het niet betalen van het griffierecht en het ontbreken van geldige beroepsgronden verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door D. Hardonk-Prins op 11 december 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en ontbreken van geldige beroepsgronden.