Appellante, beperkt in mobiliteit door ziekte, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem om een tegemoetkoming in bovenregionale vervoerskosten voor mantelzorg aan haar buiten de gemeente wonende dochter. Het college wees dit verzoek af op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), waarbij ook de hardheidsclausule uit de gemeentelijke verordening niet werd toegepast vanwege het ontbreken van benodigde informatie van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat bijzondere omstandigheden bestonden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het college adequaat had gehandeld, onder meer door het advies van de commissie bezwaarschriften op te volgen en in gesprek te gaan met appellante.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De Raad stelde vast dat de behandeling van het bezwaar bij het college met vijf maanden was vertraagd, waardoor het college werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskostenvergoeding van €437,50 aan appellante.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij het college werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.