ECLI:NL:CRVB:2024:2424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig meubelmaker, werd per 10 maart 2021 door het UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van circa 60%. Appellant betwistte dit en vorderde een IVA-uitkering omdat hij meent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de beperkingen niet duurzaam zijn en het UWV de medische belastbaarheid juist heeft vastgesteld.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep een onafhankelijk verzekeringsarts benoemd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (80-100%) vaststelde, maar ook concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het UWV stelde daarop zijn standpunt bij en handhaafde de toekenning van een WGA-uitkering. Appellant voerde aan dat zijn aandoeningen, waaronder de ziekte van Crohn, chronisch en duurzaam zijn en dat hij bepaalde behandelingen niet kon ondergaan.
De Raad oordeelde dat hoewel de aandoeningen chronisch zijn, zij niet progressief zijn en dat adequate behandelingen beschikbaar zijn. De medische informatie gaf geen reden om te veronderstellen dat appellant de behandelingen om medische redenen niet kon ondergaan. De verwachting van de verzekeringsarts over herstelkansen was deugdelijk gemotiveerd en niet onjuist. Daarom is de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam in de zin van de Wet WIA.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het bezwaarbesluit, herroept het oorspronkelijke besluit van het UWV en stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 80 tot 100%. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De Raad stelt vast dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en bevestigt de toekenning van een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.