Appellante ontving bijstand sinds juni 2017 en kreeg over de periode van april 2018 tot november 2020 bijschrijvingen van haar ex-partner en ouders die zij niet aan het college meldde. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van €10.700,36 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat een deel van de bijschrijvingen was teruggeboekt of contant teruggegeven, en dat een ander deel compensatie was voor consumpties van haar ex-partner, waardoor geen sprake zou zijn van inkomen.
De Raad verwierp deze argumenten omdat er geen feitelijke onderbouwing was voor de terugboekingen en compensaties, en de bijschrijvingen in principe als inkomen gelden. De herziening en terugvordering blijven daarmee in stand. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.