Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
21/2219 BBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Bbz 2004Art. 14 Bbz 2004Art. 7a AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 bevestigd

Appellante, die sinds 17 februari 1998 een WAO-uitkering ontvangt en vanaf 1 mei 2016 een eenmanszaak exploiteert, diende op 31 januari 2019 een aanvraag in voor bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug wees deze aanvraag op 5 juli 2019 af, een besluit dat na bezwaar op 20 november 2019 werd gehandhaafd.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege verrekening van haar WAO-uitkering met een schuld bij het UWV slechts een netto bedrag van € 984,72 per maand ontvangt, onvoldoende om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij stelde dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening had gehouden met haar schulden en hoge woonlasten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellante niet als zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 kan worden aangemerkt omdat haar WAO-uitkering hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Hierdoor is zij uitgesloten van bijstand op grond van het Bbz 2004. Het dagelijks bestuur kon daarom bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening houden met haar financiële situatie, waaronder schulden en woonlasten.

Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 20 februari 2024.

Uitkomst: De aanvraag om bedrijfskrediet wordt afgewezen omdat appellante niet als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 wordt aangemerkt.

Uitspraak

21/2219 BBZ
Datum uitspraak: 20 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 mei 2021, 19/5524 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om toekenning van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur die aanvraag terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Domselaar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 januari 2024. Voor appellante is
mr. Van Domselaar verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Wijma en D.N.W. van den Broek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt met ingang van 17 februari 1998 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 1 mei 2016 heeft zij een vertaalbureau in de vorm van een eenmanszaak.
1.2.
Op 31 januari 2019 heeft appellante bij het dagelijks bestuur een aanvraag ingediend om toekenning van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 193.784,- (aanvraag) op grond van het Bbz 2004.
1.3.
Bij besluit van 5 juli 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 november 2019 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellante een WAOuitkering ontvangt en dat zij daarom niet behoort tot de Bbz-doelgroep.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak, kort samengevat, aangevoerd dat het Uwv een deel van haar WAO-uitkering verrekent met een schuld die zij bij het Uwv heeft en dat zij daardoor slechts € 984,72 netto per maand ontvangt. Appellante stelt dat zij met dat bedrag niet kan voorzien in de kosten van het bestaan. Zij heeft grote schulden en hoge woonlasten. Volgens appellante heeft het dagelijks bestuur daarmee ten onrechte geen rekening gehouden.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot afwijzing van de aanvraag om een bedrijfskrediet op grond van de Bbz 2004 in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat appellante, toen zij de aanvraag indiende, een WAO-uitkering ontving die hoger was dan de voor haar toepasselijke bijstandsnorm en dat zij daarom niet was aan te merken als zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004. Appellante heeft niet betwist dat zij vanwege de hoogte van dat WAO-recht geen beroep kon doen op de Bbz 2004.
4.2.
Wat appellante heeft aangevoerd, komt erop neer dat het dagelijks bestuur haar toch het bedrijfskrediet had moeten toekennen, omdat nadat zij aan haar huurverplichting en – na verrekening met de WAO-uitkering – aan haar aflossingsverplichting aan het Uwv had voldaan, maandelijks onvoldoende middelen van bestaan resteerden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat appellante niet als zelfstandige in de zin van de Bbz 2004 was aan te merken, stond eraan in de weg dat aan haar bijstand op grond van de Bbz 2004 kon worden toegekend. Dat volgt uit artikel 14, eerste lid, van de Bbz 2004 in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van de Bbz 2004. Daarom kon het dagelijks bestuur bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening houden met haar schulden en hoge woonlasten.
4.3.
Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag om een bedrijfskrediet dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen als voorzitter en F. Hoogendijk en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) S.N. de Groot

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder zelfstandige verstaan: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande.
Artikel 14, eerste lid, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004
Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet.