Appellante, die sinds 17 februari 1998 een WAO-uitkering ontvangt en vanaf 1 mei 2016 een eenmanszaak exploiteert, diende op 31 januari 2019 een aanvraag in voor bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug wees deze aanvraag op 5 juli 2019 af, een besluit dat na bezwaar op 20 november 2019 werd gehandhaafd.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege verrekening van haar WAO-uitkering met een schuld bij het UWV slechts een netto bedrag van € 984,72 per maand ontvangt, onvoldoende om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij stelde dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening had gehouden met haar schulden en hoge woonlasten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellante niet als zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 kan worden aangemerkt omdat haar WAO-uitkering hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Hierdoor is zij uitgesloten van bijstand op grond van het Bbz 2004. Het dagelijks bestuur kon daarom bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening houden met haar financiële situatie, waaronder schulden en woonlasten.
Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 20 februari 2024.