Uitspraak
PROCESVERLOOP
.
OVERWEGINGEN
Inleiding
.Appellant heeft zich niet ziek gemeld ten gevolge van zijn val.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als juridisch adviseur bij de gemeente Utrecht, raakte op 16 april 2019 gewond bij een val in het kantoorpand. Het college weigerde het ongeval als dienstongeval aan te merken, waarna appellant bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het ongeval als dienstongeval moest worden erkend om toekomstige financiële aanspraken veilig te stellen.
De Raad toetste ambtshalve het procesbelang van appellant en concludeerde dat dit ontbrak. Appellant was nooit arbeidsongeschikt geraakt en het college had alle schade vergoed, waaronder medische kosten en schade aan kleding. Gezien de aard van het letsel, een kneuzing zonder medische complicaties na bijna vijf jaar, achtte de Raad het onwaarschijnlijk dat het ongeval tot toekomstige arbeidsongeschiktheid zou leiden.
Daarom zag de Raad geen feitelijk belang voor appellant bij voortzetting van de procedure en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant kreeg geen vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend op 28 februari 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.