Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
23/316 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling van medische beperkingen

Appellante was sinds juni 2020 ziekgemeld met lichamelijke en later ook psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 14 oktober 2021 na een eerstejaars beoordeling waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige beperkingen vaststelden en geschikte functies aanwijzen.

In bezwaar en beroep werden aanvullende medische onderzoeken uitgevoerd, waarbij beperkingen voor langdurig lopen en zitten werden toegevoegd, maar het UWV handhaafde het besluit tot beëindiging. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat appellante geschikt was voor de geduide functies.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen en noodzaak tot rustmomenten onvoldoende waren meegewogen en dat de functies niet geschikt waren. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het UWV alle medische informatie, waaronder brieven van het UMCG en POH-GGZ, had betrokken en dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en geschiktheid van functies voldoende hadden gemotiveerd.

De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en wees de vordering van appellante af, inclusief de kostenvergoeding. Deze uitspraak werd op 29 februari 2024 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 14 oktober 2021.

Uitspraak

23/316 ZW
Datum uitspraak: 29 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 december 2022, 22/422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [Woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Ex-werkgever] B.V. te [Vestigingsplaats] (ex-werkgever)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 14 oktober 2021 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om de voor haar geduide functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 januari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. Namens [Ex-werkgever] B.V. was mr. J.A. Kouwenberg aanwezig.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als zeilmaakster voor gemiddeld 38,03 uur per week. Op 22 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Later heeft appellante ook psychische klachten gekregen. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 juni 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 13 september 2021 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 14 oktober 2021 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 22 december 2021 een nieuwe FML opgesteld, waarbij beperkingen voor langdurig lopen en zitten aan de FML zijn toegevoegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de eerder geduide functies, namelijk assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071), laten vervallen en geconcludeerd dat hierdoor de mate van arbeidsgeschiktheid niet wijzigt. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en het bezwaar van appellante bij besluit van 7 januari 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de psychische klachten van appellante onvoldoende zijn meegewogen. Appellante heeft geen (nieuwe) medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat in de FML aanvullende beperkingen opgenomen hadden moeten worden voor haar psychisch functioneren. Bij de rechtbank is verder ook niet gebleken dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. Het medisch onderzoek was volgens de rechtbank zorgvuldig, volledig en ook conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanknopingspunten om te twijfelen aan conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 30 december 2021 en 24 oktober 2022 voldoende inzichtelijk gemaakt waarom appellante geschikt is te achten voor de door hem genoemde functies. Volgens de rechtbank is er geen grond om te oordelen dat appellante de werkzaamheden die bij de geduide functies behoren niet zou kunnen verrichten.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij is van mening dat de rechtbank de door haar aangevoerde beroepsgronden slechts summier heeft behandeld. Daarnaast voert appellante aan dat sprake is van verdergaande beperkingen in verband met haar mentale belastbaarheid en de noodzaak voor rustmomenten. Tot slot handhaaft appellante in hoger beroep haar standpunt dat de geduide functies niet geschikt voor haar zijn.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de ZW-uitkering van appellante te beëindigen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep getrokken conclusies. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat appellante belastbaar is conform de FML van 22 december 2021. De door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Het standpunt van appellante, dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen in verband met haar psychische klachten en de geclaimde noodzaak tot rustmomenten, wordt niet gevolgd. In de FML van 22 december 2021 zijn verschillende beperkingen aangenomen met betrekking tot de mentale belastbaarheid van appellante. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben alle medische informatie, onder meer de brieven van het UMCG en de
POH-GGZ, kenbaar bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 december 2021 voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor verdergaande beperkingen op psychisch vlak. Ook met betrekking tot de fysieke beperkingen van appellante zijn beperkingen aangenomen in de FML. Appellante heeft niet met nieuwe medische stukken onderbouwd waarom deze beperkingen onvoldoende zijn. Verder heeft de primaire verzekeringsarts in het rapport van 28 juni 2021 inzichtelijk gemotiveerd dat geen duurbeperking is aangewezen indien rekening wordt gehouden met de vastgestelde belastbaarheid in de FML.
4.4.
De rechtbank wordt tevens gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de functie receptionist (SBC-code 315120) niet geschikt is, nu zij in het kader van haar re-integratie is uitgevallen in een soortgelijke functie bij haar oude werkgever. De uitleg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 24 oktober 2022, dat de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van appellante een theoretische schatting betreft waarbij moet worden uitgegaan van de functiemogelijkheden en de daarbij behorende kenmerkende belasting zoals die door een arbeidsdeskundig analist zijn vastgesteld en in de Resultaat functiebeoordeling is verwoord, wordt door de Raad onderschreven. Uitgaande van de juistheid van de FML bestaat daarom geen reden voor twijfel aan de medische geschiktheid van de functies. Tot slot heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 30 december 2021 en 24 oktober 2022 inzichtelijk gemotiveerd dat door appellante wordt voldaan aan de gestelde opleidingseisen bij de geduide functies. Wat hierover ter zitting is aangevoerd, is onvoldoende om de beoordeling van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist te achten.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2024.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D. Schaap

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.