In deze zaak gaat het om de vraag of het UWV terecht de aanvraag van appellante, een ex-werkgever, heeft afgewezen om compensatie van de door haar aan werkneemster betaalde transitievergoeding van € 23.250,- bruto.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden na een verstoorde arbeidsverhouding, zoals vastgelegd in een kantonrechterlijke beschikking. De werkneemster was weliswaar arbeidsongeschikt, maar dit stond los van het ontbindingsverzoek. Het UWV weigerde compensatie omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd na een periode van twee jaar ziekte, waarbij de werknemer niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten.
Appellante voerde aan dat het UWV de transitievergoeding had moeten compenseren en dat het UWV nader onderzoek had moeten doen naar de feitelijke situatie. De Raad oordeelde dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor compensatie was voldaan, wat zij niet had gedaan. De rechtbank had de afwijzing van het UWV terecht bevestigd.
Het hoger beroep van appellante slaagde niet en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 7:673e BW en het belang van duidelijke bewijsvoering door de werkgever bij compensatieverzoeken.