ECLI:NL:CRVB:2024:432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medisch onderzoek en toekenning schadevergoeding redelijke termijn
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen de weigering van een WIA-uitkering door het UWV. In een eerdere tussenuitspraak werd geoordeeld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd, omdat geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep had plaatsgevonden. Dit gebrek is hersteld door een nieuw onderzoek en rapport van een verzekeringsarts.
De verzekeringsarts concludeerde dat er geen aanleiding was om de belastbaarheid van appellant te wijzigen, ondanks zijn verslavingsproblematiek en rugklachten. Het standpunt van appellant dat meer beperkingen aangenomen moesten worden, werd niet onderbouwd met medische gegevens en daarom verworpen. Ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling.
Met betrekking tot de terugvordering van voorschotbetalingen stelde de Raad vast dat appellant geen procesbelang meer had omdat het restant was kwijtgescholden. De Raad oordeelde dat de redelijke termijn van de procedure met ruim een jaar was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 1.500,- aan appellant.
De Raad vernietigde het bestreden besluit tot weigering van de WIA-uitkering, met behoud van de rechtsgevolgen, en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierechten. De uitspraak werd gedaan door C. Karman op 29 februari 2024.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd en appellant ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.