ECLI:NL:CRVB:2023:245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over zorgvuldigheid medisch onderzoek bij weigering WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als glasvezelmonteur, meldde zich ziek in juni 2016 en vroeg in juli 2018 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende een voorschot toe maar weigerde later de uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde eerder dat het onderzoek zorgvuldig was verricht, mede op basis van een spreekuurcontact met een arts en een psychiatrisch rapport.
In hoger beroep stelt appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is omdat in de primaire fase het spreekuurcontact niet met een geregistreerde verzekeringsarts plaatsvond en in de bezwaarfase geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. De Raad overweegt dat in dergelijke situaties een spreekuurcontact in de bezwaarfase noodzakelijk is tenzij dit gemotiveerd kan worden achterwege gelaten. De motivering van het UWV is onvoldoende.
De Raad concludeert dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase niet met de vereiste zorgvuldigheid is geschied en dat onvoldoende vaststaat of de medische feiten juist zijn vastgesteld. Daarom draagt de Raad het UWV op het gebrek binnen zes weken te herstellen. Een definitief oordeel over de toekenning van de WIA-uitkering en de terugvordering van voorschotten wordt uitgesteld.
Uitkomst: Het medisch onderzoek in de bezwaarfase is onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd, het UWV moet dit herstellen.