ECLI:NL:CRVB:2024:468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante was sinds 4 december 2017 ziek gemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 januari 2019, omdat zij meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kon verdienen in passende functies. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond na uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de deskundige niet alle medische diagnoses had meegenomen en dat zij vanwege pijnklachten meerdere rustmomenten per dag nodig had. Ook stelde zij dat de geselecteerde functies te belastend waren en dat zij niet voldeed aan de ervaringseis van een functie. De Raad concludeerde echter dat deze gronden niet slaagden, onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding voor benoeming van een nieuwe deskundige.
Verder vorderde appellante een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure ruim vijf jaar had geduurd, waarvan de rechterlijke fase meer dan drieënhalf jaar. Hierdoor werd de redelijke termijn overschreden en werd de Staat veroordeeld tot een vergoeding van €1.500. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante voor het verzoek om schadevergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering in stand bleef. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht van het hoger beroep zelf.
Uitkomst: Beëindiging Ziektewetuitkering blijft in stand; Staat veroordeeld tot schadevergoeding van €1.500 wegens termijnoverschrijding.