Uitspraak
16 december 2022, 22/3225 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid meerdere malen is vastgesteld en herzien, met een laatste vaststelling in 2016 op 80 tot 100%.
Appellant verzocht in april 2022 het UWV om schadevergoeding wegens eerdere onrechtmatige besluiten en tevens om een voorschot op die schadevergoeding. Het UWV wees het verzoek om schadevergoeding af in juni 2022 en besloot daarmee ook op het verzoek om een voorschot. Appellant stelde het UWV in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op het voorschotverzoek en vorderde dwangsommen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen ongegrond omdat het UWV binnen twee weken na ingebrekestelling had beslist. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en oordeelt dat het verzoek om een voorschot inherent is afgewezen met het schadebesluit. Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV tijdig heeft beslist en geen dwangsom verschuldigd is.