ECLI:NL:CRVB:2024:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 17e en 18e jaar
Appellante, geboren in 1975, vroeg een Wajong-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat zij niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. De beoordeling vond plaats aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zoals die gold tot 1 juli 1998, waarbij werd vastgesteld dat appellante op haar zeventiende en achttiende jaar niet ten minste 25% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegenomen, maar bracht geen nieuwe medische informatie in. De Raad onderschreef de rechtbank en verwierp het beroep.
Daarnaast oordeelde de Raad dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen in de periode van haar achttiende tot haar drieëntwintigste jaar, waardoor ook op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid geen aanspraak bestond. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.